Laatste nummer Neerslag

Magazine

Lees de artikelen uit Neerslag hier online!

Klik hier

Artikelen zoeken

 

KNW

Koningskade 40
2596 AA Den Haag
Telefoon 070 322 27 65
E-mail: info@waternetwerk.nl

De Noord-Hollandse achtkante binnenkruier

Hans Korsman

Gelukkig hebben gemalen niet alle watermolens de wind uit de zeilen genomen, een aantal poldermolens is nog steeds maalvaardig. Verspreid in zijn beheersgebied heeft Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 23 functionerende poldermolens in eigendom. Daarnaast kunnen nog eens 47 molens ingezet worden als noodbemaling. De meeste van deze poldermolens zijn van het robuuste type ‘achtkante binnenkruier’ die alleen in Noord-Holland te vinden zijn.

De eerste duidelijke aanwijzing voor het bestaan van een windwatermolen dateert uit 1407. Het gaat om een molen die in de omgeving van Alkmaar stond. Het is niet bekend welk model hij had, maar in ieder geval waren de eerste windwatermolens nog niet geschikt om de vele meren in Noord-Holland droog te leggen. Dat kon wel met de begin 16e eeuw ontwikkelde grote achtkante molens. De vroegst bekende droogmakerij ter wereld, de Achtermeer bij Alkmaar, werd met zo’n molen leeggemalen. In 1527 kregen twee burgers toestemming dit 40 hectaren grote watertje tot land te maken. Waarschijnlijk viel de Achtermeer in 1533 droog. Vanaf die tijd hadden ze in Hollands Noorderkwartier de smaak goed te pakken. Het gebied kreeg in de 17e eeuw, door de grote bedijkingen en droogmakerijen, zoals de Beemster en de Schermeer, zijn huidige vorm. En dat allemaal dankzij de achtkante binnenkruiers.

ACHTKANTE BINNENKRUIER
De met riet gedekte molen is door het relatief lichte gewicht ideaal voor de drassige Noord-Hollandse veengrond. Bovendien wordt het gewicht over een breed grondplan met acht punten gespreid. Alleen de fundering met de waterlopen is gemetseld, de romp en daarop de draaibare kap zijn helemaal in hout uitgevoerd. De molens variëren in afmetingen, maar meestal is de vlucht (lengte van een roede ofwel de lengte van twee wieken in elkaars verlengde) zo’n 25 meter.
De romp of het molenlijf is opgebouwd uit acht zware houten hoekstijlen, onderling verbonden door een constructie van balken. Ze rusten op een houten raamwerk, het zogenaamde ondertafelement, dat op de gemetselde fundering ligt. Aan de bovenzijde zijn de hoekstijlen verbonden met een boventafelement. Daarop ligt de kruivloer, een zware houten ring met een krans van zo’n 70 iepenhouten kruirollen. De Kap kan op de kruirollen draaien. Aan de binnenzijde van het boventafelement zit een aantal zware krammen. Hieraan wordt een touw gehaakt en met behulp van een windas met handspaken wordt de kap op de wind gerold. Dat kruiwerk zit in de molen weggewerkt, vandaar een ‘binnenkruier’.


Bovenin de kap ligt de bovenas waaraan de wieken zijn bevestigd. De voorzijde van de bovenas ligt op een halssteen, een blok hardsteen waarin een ronde holte geslepen is. Aan de achterkant wordt de bovenas afgesteund op een pensteen. Het aan de as bevestigde bovenwiel brengt de draaiende beweging van de wieken over naar de koningsspil. Dat is de centrale verticale houten as in de molen, die op de begane grond een scheprad of vijzel aandrijft.
Het bovenwiel, de eerste schakel in het drijfwerk, kan geremd worden met een vang. Om het brede ‘loopvlak’ van het wiel zit een soort bandrem van aan elkaar gekoppelde houten blokken. Onder invloed van een zwaar gewicht, wordt de vang om het bovenwiel geklemd. Op die manier kunnen de wieken worden stilgezet. De vang wordt vanaf het molenerf bediend met een touw aan de vangstok die achter uit de kap steekt.
De eerste poldermolens waren uitgerust met een scheprad met een opvoerhoogte van maximaal anderhalve meter. Diepe meren moesten dan ook door een ‘gang’ van een aantal in serie geschakelde molens drooggemalen worden. De molens in een gang werkten het water in trappen omhoog. Alleen al voor het droogleggen (1635) van de Schermeer waren 52 molens nodig. Om het hoogteverschil van ruim vier meter naar de ringsloot te overbruggen, was hier een viertrapsbemaling noodzakelijk.

In 1634 verkreeg de Leidenaar Symon Hulsebos voor elf jaar octrooi op een nieuwe uitvinding die omschreven werd als een:
‘...instrument leggende in een halven ronden goot ofte coker.. .synde niet beweecht, maer alleenlyck binnenste Instrument in gelyckenisse van een dobbelen schroeff off slang (...) bewogen wordt, waeromme men het oock is noemende een slangwerck, doordien het Slangswyse rondom een dicke Spil off asch gewrocht moet werden....’

Met andere woorden, dit is het octrooi op de schroef van Archimedes ofwel een vijzel. Met deze nieuwe techniek kon een molen het water wel drie tot vier meter opvoeren. Maar het duurde lang voordat het ‘slangwerck’ algemeen werd toegepast. Het verbouwen van een bestaande schepradmolen tot vijzelmolen was namelijk een grote en kostbare ingreep. Pas in de 19e eeuw kwam de ‘vervijzeling’ echt op gang. Dat was overigens ook de eeuw waarin de gietijzeren bovenas, geklonken ijzeren roeden, plaatijzeren scherpraderen en metalen vijzels de houten exemplaren gingen vervangen.


Een mooi voorbeeld van een oude binnenkruier is de Viaanse molen waarmee in de 16e eeuw de Bergermeer werd drooggemaakt. Deze molen kreeg in 1867 een houten vijzel met een doorsnede van 1,95 meter en een opvoerhoogte van maximaal 1,7 meter. In 1923 zijn metingen verricht naar de waterverplaatsing. De molen gaf de grootste opbrengst bij 33 toeren van de vijzel per minuut. Dan gaf hij per omwenteling 1,38 m3 water, dat is 45,54 m3 per minuut. Maar het dubbele is ook mogelijk. Bij Akersloot heeft het Hoogheemraadschap een molen met een korte, maar heel brede vijzel – het is zelfs de breedste van heel Nederland – die tot 100 m3 per minuut kan verzetten!


NOODBEMALING
Nog steeds zijn in het gebied van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 70 molens beschikbaar als bij zeer zware neerslag of een andere calamiteit de moderne gemalen het werk niet aan kunnen. In een enkel geval werd tot voor kort zelfs nog steeds vrijwel geheel op de wind vertrouwd. De molen De Woudaap bij Krommenie had bijvoorbeeld een elektrische hulpaandrijving, maar die motor inschakelen was de eer van de laatste molenaar te na. Toen hij in 2002 op 72-jarige leeftijd overleed, kwam de molen stil te staan. Het jaar na zijn dood viel de elektriciteitsrekening 2.500 euro hoger uit, want nu moest de motor het werk doen.

Bij Schermerhorn is een binnenkruier te bezichtigen. De ‘Museummolen’ is een in werking zijnde molen uit de 17e eeuw. De werking en constructie zijn hier precies te volgen, zie www.museummolen.nl .

Viaanse molen, Bergermeer - Alkmaar.